Het Orakel

Een kort verhaal

door Ton Schevan

Het pad omhoog, dat leidt naar de tempel, ademt venijn en finesse. Het is ontworpen met goddelijke inspiratie en aangelegd om iedere smekeling te ontmoedigen. Evengoed blijven ze komen.

Weer zie ik een smekeling. Ik sla hem gade terwijl hij worstelt met het beproefde pad.

Elke wending in het pad gunt hem een blik op de weg die nog te gaan is, de eindeloos slingerende route die hem geen moment dichter bij zijn doel lijkt te brengen, de steile stukken, de smalle richel langs de afgrond. Gelegenheid genoeg zijn keuze om deze weg te bewandelen te betreuren. Gelegenheid genoeg voor mij om hem te observeren, hem te doorgronden, wellicht beter dan hijzelf. Het zijn de goden die het mij influisteren.

Waarom blijven ze komen?

Ik ben moe. Moe van deze mensen. Maar vooral moe van mijzelf, van raadsels, dubbelzinnigheden en andere vormen van verdoezelen welke ik toepas. Moet toepassen. Ze zoeken antwoorden op hun eigen onzekerheden, waarheden welke in de toekomst verborgen liggen. Dwazen!

Vertel ik de toekomstige moeder van een groots man niet te trouwen met de bruut die hem verwekken zal? Kan ik de eerzuchtige, glorie zoekende generaal toevertrouwen dat hij de slag verliezen zal welke nu eenmaal geleverd moet worden om de eindeloze oorlog te beëindigen? Zeg ik het de koning dat hij ooit vermoord zal worden door de zoon die nu nog op zijn knie zit?

Mijn waarheden zijn een farce, mijn orakels misleidend. Toch blijven ze komen. En de goden lachen, kostelijk vermaakt.

Krachtig, gefocust, rustige maar zekere passen. De smekeling op het pad is nu halverwege. Hij zal niet opgeven. Er is iets vreemds aan hem, iets verontrustends. Een visioen ontvlamt… en angst overvalt mij. Er is één persoon die ik beschermen noch bedriegen kan. Mijzelf.

Mijn onderkomen op de berg is niet mijn onderkomen, maar dat van de goden. Mijn verblijf hier niet onvoorwaardelijk, maar tijdelijk, totdat de gunst van de goden is vervlogen. Mijn taak niet mijn keuze, niet mijn roeping, maar een die mij door hen is opgelegd, georakeld door mijn voorgangster. Totdat ik ervan wordt ontheven, eervol of anderszins.

Het is een vreemde, tweeslachtige positie. De goden fluisteren mij dingen in of betwisten elkaar onderling via mijn oren. Ze zijn wispelturig en onvoorspelbaar. Dat is geen mystiek geheim, ze proclameren het zelf en zeggen oprechtheid te verkiezen boven alles. Wat, welbeschouwd, hilarisch is. Verder hoef ik van hen of van de smekelingen niets te verwachten. Ik ben alleen.

Hij is hier. Een kil man met een getraind lijf en verborgen wapens op zijn lijf. Een affront. Daar blijft het niet bij. Er is geen enkele eerbied waar te nemen terwijl hij de voorgeschreven rituelen en offers, zelfstandig maar overhaast, volbrengt. Dat alles verbleekt wanneer hij voor mijn zetel meerdere goudstukken deponeert. Een mes legt hij ernaast.

Er speelt een flauwe glimlach om zijn lippen. “Voorzie mij van de informatie die ik zoek en de goudstukken zijn voor jou. Zo niet, het mes.”

Ik vertrouw mijn stem niet en trek enkel een wenkbrauw op. Het gelach van de goden is verstomd, het gefluister overgaan in een broeiende stilte.

De man noemt de naam van een persoon die hij probeert te vinden. Zoekt hij wraak, eigenrichting? Of zelfverrijking? Een onheilig iets, maar onduidelijk wat.

Het is niet van belang. Een orakel, de goden, bedreigen of pogen om te omkopen is onbevattelijk. Onzinnig en dodelijk. Ik voel de acute aanwezigheid van de goden, hun verpletterende attentie. Een visioen ontvlamt… En ik krijg bijna, bijna, medelijden met de dwaas als ik zijn einde zie. Maar niet hier, niet vandaag of morgen.

Mijn eigen toekomst is in schaduwen gehuld, verbonden aan mijn beslissing. Ik kan en wil niet toegeven aan deze dwaas die denkt het orakel te kunnen dwingen. Maar weigeren betekent … Ik zie deze man niet aarzelen zijn dreigement uit te voeren, menend dat ongestraft te kunnen doen. De goden zullen hem ook niet tegenhouden; ze wreken liever een dwaas dan hem belemmeren zijn dwaasheden te begaan. Even zie ik mijn einde, maar ook rust, vrede.

Toegeven is niet iets wat ik ook maar even overweeg. Dreigement of omkoping, een niet uit vrijheid gegeven waarheid is het einde van het orakel. Van elk orakel.

Afwijzen of toegeven… Ligt hierin werkelijk de keuze? Nee.

Ik zucht, vermoeid maar beslist. En doe waar ik nu eenmaal goed in ben.