Klein Duimpje & het Grietje van Hans – hs III

III – Waarin duidelijk wordt dat een bos meer is dan een verzameling bomen

door Ton Schevan

Gitta Zwart, amateur gifmengster, had de kracht van het slaapdrankje lichtelijk onderschat. Bovenop de dubbele dosis had zij ook nog een extra scheut, mogelijk twee, toegevoegd. Voor de zekerheid. Het was zodoende niet verwonderlijk dat K.D. en Grietje een vreemd smaakje hadden geproefd aan de cola. En niet verwonderlijk dat zij acuut onder zeil gingen. De middag kwam en de middag ging. De avond viel en kwam niet meer overeind tot de ochtend stond. Maar wel eentje zonder goud in de mond.

De nacht was pikkedonker geweest. Overal klonken vreemde geluiden; eng geritsel, schrikaanjagende kreten en zelfs bloedstollend gekrijs. Een keer dreunde het bos van vele, zware voetstappen, heel dichtbij. Maar het slapende duo sliep overal dwars doorheen, wat menigeen zall doen stikken van jaloersheid. Merkwaardigerwijs viel die nacht geen enkel monster of wreed roofdier hen lastig. Geluiden ja, werkelijke bedreigingen nee. Wat voor duistere plannen had het bos voor hen in petto dat zij hier zo wonderbaarlijk gespaard bleven?

Eindelijk was daar dan toch de nieuwe dag. Zoals gezegd, goud viel er niet te bekennen, enkel groen lover en donkere aarde, wemelend van kruipend ongedierte.

Grietje werd, eindelijk, als eerste wakker. Met haar oor op pakweg 30 centimeter van K.D.’s maag was het aanzwellende gerommel een uitstekende wekker. Met een ruk zat ze rechtop.

“Wat? Hoe? Oh, ja…” Ze herinnerde zich weer hoe ze hier gekomen was. Hadden ze echt de hele verdere dag en de nacht geslapen? Ze moest nu wel erg nodig plassen. Ze verdween vlug achter een boom.

Uiteindelijk drong het gerommel ook tot K.D. zelf door. Maar het was vooral het gefriemel van honderden bosmieren, die naarstig zijn broekzakken doorzochten op jacht naar de laatste broodkruimels, waar hij wakker van werd.

“Hè? Hoe? Wat is dit? Hoe kom ik hier?” Maar voordat er antwoorden gezocht konden worden moest ook hij eerst hoognodig plassen. En zijn broek bevrijden van bosmieren. Bomen zat hier, dat scheelde. Eigenaardig eigenlijk hoe meisjes achter en jongens voor een boom gaan plassen. Maar de boom is altijd de klos. Gelukkig, in dit geval, niet een en dezelfde boom.

Toen K.D. na veel gedoe eindelijk klaar was met het verwijderen van de mieren, draaide hij zich om en zag daar Grietje op de open plek staan, met haar handen in de zij.

“Hè? Hoe kom jij hier?” riep K.D. uit alle macht, om het geknor van zijn maag te overstemmen, “Wat heb je met mijn ouders gedaan?”

“Ikke? Je hebt ze zelf kwijtgemaakt!”

Dit had een hele lange, domme ruzie kunnen worden, maar juist op dat moment klonk er weer een bloedstollende kreet in het bos, niet eens zo heel ver weg. Het gekrijs werd abrupt afgebroken.

“We moesten maar gauw naar huis,” schreeuwde K.D.

“Schreeuw niet zo!“ riep Grietje terug, “Je trekt straks nog de aandacht van een of nader eng monster.”

Daar was de rommelde maag zelf al wel toe in staat. Maar inderdaad, hoe eerder weg hier, hoe beter.

K.D. keek zoekend rond, waar kwamen ze vandaan? “Laten we dan maar gauw gaan.”

“Nou,” meende Grietje. “We hoeven gelukkig alleen maar dat broodspoor van jouw te volgen.”

“Mijn broodspoor?” K.D. was verbijsterd.

“Ja, je broodspoor!” Grietje klonk wat kribbig. “Heb jij ooit wel eens achterom gekeken?”

Dat had K.D. kennelijk nog nooit gedaan.

“Nou, dan zal ik je eventjes wat laten zien. Kijk maar, hier…” Maar hier viel niets bijzonders te zien.

Die nacht was er een kudde bosolifanten langsgetrokken dat zich te goed had gedaan aan alles wat er aan eten te vinden was. Er was geen broodkruimel meer te vinden.

“Waar heb je het nou toch over?” klaagde K.D., “Ik zie helemaal geen spoor en ik wil naar huis voordat we reuzen tegenkomen.”

“Reuzen?” lachte Grietje smalend, “Reuzen bestaan niet, dat weet een kind!”

“Mijn vader zei altijd dat er reuzen in het bos woonden. En vannacht heb ik nog over ze gedroomd. Ik voelde de grond gewoon trillen.”

“Hij is bang voor reuzen,” zei Grietje tegen een boom, “Wat onnozel.” De boom reageerde niet, te druk bezig met overleven nadat iemand daar bijzonder uitvoerig had staan plassen.

“Ik ben niet bang!'” K.D. gaf nijdig een trap tegen het lege colablikje. Het verdween met een boog tussen de bomen.

“Auw!'” klonk het woest van achter een struik.

“Daar is iemand,” fluisterde Grietje en verstopte zich haastig achter de rug van K.D. Misschien niet zo verstandig, het gerommel was op die hoogte oorverdovend.

Een klein figuurtje dook op vanuit de bosjes. Een kat. Een gelaarsde kat. Hij wreef over zijn kop en keek hen verontwaardigd aan.

“Ben jij nou helemaal bezopen om zomaar troep in de struiken te gooien? Eerst kijken, dan gooien!”

K.D. wist even niks te zeggen.

“O, wat leuk! Een katje!” kraaide Grietje en kwam te voorschijn vanachter K.D.

“O!” zei de kat verbaasd, “Kan jij je in tweeën splitsen?”

K.D. en Grietje keken elkaar even aan. Wel of niet op reageren?

Maar de kat was er een van het praatgrage type. “Wat zoeken jullie hier eigenlijk? Of zijn jullie soms verdwaald?”

“Natuurlijk niet,” zei Grietje, die zoiets nooit zou toegeven.

“Dan wil je zeker ook mijn laarzen niet kopen,” opperde de gelaarsde kat nonchalant.

Grietje bekeek de laarzen eens, die enkele maatjes te ruim leken en bepaald niet nieuw. “Er mankeert helemaal niets aan mijn eigen laarsjes,” zei Grietje, “Hou ze maar.”

“Oké, oké,” zei de gelaarsde kat, “Het was maar een vraag. Prettige dag verder!”

En hij verdween met zevenmijls stappen in het bos.

“O,” zei Grietje beteuterd.

“Reuze-stappen,” mijmerde K.D. “Weet je nog steeds zeker dat reuzen niet bestaan?”

“Eén stel laarzen zegt helemaal niets,” gaf Grietje snibbig ten antwoord. “Laten we nou maar snel op pad gaan, voordat er nog meer rare snuiters uit het bos opduiken.”

K.D. wees, “Volgens mij kwamen we van die kant, daar.”

Grietje keek een beetje onzeker, “Ja, zou kunnen, maar…” En moest toen hollen omdat K.D. inmiddels al op pad was.

Het zal niemand verbazen dat ze de verkeerde kant opliepen, steeds dieper het bos in. Er is een theorie die erop neerkomt dat, als je maar lang genoeg in de verkeerde richting loopt, je vanzelf op het goede punt uitkomt, alleen benaderd van de achterkant. Of, dat je vanzelf niet de, maar in elk geval wel een rand van het bos weet te vinden. Voor de meeste bossen had die tactiek wellicht hout gesneden, maar van dit bos (waarvan niemand wist hoe groot het nou eigenlijk wel was,) moest serieus betwijfeld worden of er wel ‘een andere kant’ bestond. Alleen maar een ‘steeds dieper het bos in’. K.D. en Grietje volgden de beproefde tactiek van ‘gewoon je neus volgen’, omdat ze niet beter wisten.

Onschuld heeft iets ontwapenends, maar onwetendheid kan dodelijk zijn. De scheidingslijn is dun.

___

Het is al vaak beweerd, en misschien inmiddels al bewezen, dat het geluk vaak met de dommen is. Zo ook in dit geval. Tenminste, daar leek het in eerste instantie op, ware het niet dat in dit bos je nergens zeker van kunt zijn. Hoe dan ook, na drie dagen zwerven had nog geen enkel noodlottig onheil zich over het tweetal ontfermd. Drie dagen hadden ze overleefd zonder noemenswaardige gevaren, hoewel het bos van alle kanten voortdurend ijzingwekkende geluiden voortbracht, luider dan het immer aanzwellende gerommel afkomstig van K.D.’s maag. Het was nog een open vraag wat het meest kwellende was; de honger of het oorverdovende gerommel dat met hen meereisde.

Plotsklaps stond er een wolf voor hun neus. Het fors uitgevallen exemplaar had opvallend scherpe tanden in een opvallend grote mond.

“Hallo luitjes,” groette de wolf hen opgewekt.

Grietje verdween weer snel achter K.D.’s rug. Beiden bleven met open mond staan.

“Zeg,” informeerde de wolf met geveinsde nonchalance, “Is een van jullie verantwoordelijk voor dat irritante gerommel?”

“Sorry hoor. Mijn maag is wat van slag.”

“Wat vervelend voor je. Maar we hebben allemaal zo onze problemen. Probeer er wat aan te doen, ja?”

K.D. werd een beetje rood in ’t gezicht. “Eh… ja, ja, tuurlijk. Zal ik doen. Zodra ik wat anders te eten heb gevonden dan bramen en kruisbessen.”

“Ah, over eten gesproken. Weten jullie soms waar ik het huisje van Roodkapjes grootmoeder kan vinden? Ik loop al de hele dag te zoeken.”

Grietje liet even haar hoofd zien vanachter K.D.’s rug uit. “Wie?” vroeg ze.

Rood-Kapje,” zei de wolf overdreven nadrukkelijk. Hij was wat narrig, wat best begrijpelijk is je al de hele dag naar je eten loopt te zoeken. Zijn laatste hapje was alweer drie dagen geleden.

“Roodkapje?” herhaalde Grietje traag, “Wat een stomme naam.”

“Nee, geen idee,” zei K.D. ernstig, “We zijn hier zelf ook vreemd.”

“Spijtig.” De wolf was duidelijk teleurgesteld. Hij bekeek het tweetal eens nader. Kinderen waren misschien leuk als toetje, voor de rest zette het eigenlijk geen zoden aan de dijk. Die knul zag er dan wel vlezig uit, maar aan dat andere kind viel totaal niets eetbaars te bespeuren.

K.D. had zelf ook een vraag. “Maar weet u dan misschien hoe ik bij het huis van mijn ouders komen kan?”

De wolf keek hem wat meewarig aan. Hij geen hoge dunk van kinderen die niet eens wisten waar ze zelf woonden, laat staan Roodkapjes oma.

“Nee, geen flauw idee,” zei de wolf, “Anders was ik vast allang eens op bezoek geweest. Maar voor het geval dat… Hoe zien je ouders eruit?”

“Eh…” K.D. moest even nadenken. “Mijn vader heeft een bijl en mijn moeder heeft een rugzak.”

“O, die!” De wolf likte zijn lippen af.

“Kent u ze dan?” vroeg K.D. hoopvol.

“Nou, kennen is het woord niet,” liet de wolf weten, “Maar ik moet nu verder. Ik heb een dringend afspraakje met Roodkapjes grootmoeder en ben al laat.”

“Wacht even!” riep K.D. haastig, “Weet u dan misschien waar ik iets te eten kan vinden. Om van dat gerommel af te komen!”

“Tja, dat zou fijn zijn.” Hij ontblootte onwillekeurig zijn tanden. “Maar ik heb geen flauw idee wat jullie zoal eten. Zoek dat dus zelf maar uit.” En met deze woorden keerde hij zich om en drentelde weg.

“Wat een idiote wolf,” zei Grietje.

“Dat hoorde ik,” klonk de stem van de wolf verbolgen, ergens van tussen de bomen, “Ik heb grote oren en ook een prima geheugen.”

“Nou ja, die komen we toch niet meer tegen,” zei Grietje, al klonk ze meer hoopvol dan overtuigd van haar woorden.

K.D. dacht er even over na. “Het is een vreemd bos, je weet maar nooit. Veel te veel bomen, veel te veel praatgrage dieren en veel te weinig wegwijzers of eethuisjes. Ik snap niet hoe die dieren het hier uithouden.”

Zijn eigen maag antwoordde door nog luider te gaan rommelen.

Hoe lang kon hun ‘geluk met de dommen’ nog standhouden?