
Een kort verhaal
door Ton Schevan
Het theater wist niet hoe het was ontstaan, maar kende wel het moment waarop het bewustzijn verwierf.
De accumulatie van geabsorbeerde emoties en expressieve kunst had na vele jaren een kritiek punt bereikt. Het gebouw was inmiddels oud en doorleefd, met stenen die gaandeweg doortrokken waren geraakt van zweet en tranen, achtergelaten door generaties van artiesten en publiek. De ontstane ambiance was een vorm van proto-empathie, als een haard wachtend op de eerste vonk. Tijdens een nagenoeg perfecte uitvoering van de Mattheus Passion, zo vlak voor het einde, brak onverwachts de opgebouwde empathische druk door en creëerde zelfbewustzijn.
Zelfbewustzijn. Zelf. Wat een magie, wat een relevatie! Wat gaf het dat de secondenlange siddering welke door het gebouw voer het oratorium in paniek voortijdig deed eindigen. Zelf!
Naast de bijzondere beleving dat bewustzijn zelf al was, kwam het bijbehorende begrip en waardering dat het theater nu ervoer bij elke nieuw voorstelling en optreden, of het nu een concert, tragedie of komedie was. Het gebouw leefde op bij gelach of geween, applaus en geroezemoes dat dagelijks binnen zijn muren weerklonk en wist nu ook iets van die appreciatie terug te geven aan de uitvoerenden. Het theater begon, laat in zijn middelmatig bestaan, eindelijk naam te maken.
Haast mystiek was het moment toen een nieuw algemeen directeur werd aangesteld, een empathisch persoon die in bepaalde mate begiftigt bleek met een telepathisch vermogen. Stel je voor, dat moment toen theater en directeur voor het eerst elkaars aanwezigheid bespeurden, dat contact, de verwondering, de band die ontstond. Stel je voor welke creatieve mogelijkheden zich voor hen ontvouwde. De faam van het theater steeg tot een voorheen ongekend niveau. Een nieuw hoogtepunt in artisticiteit en virtuositeit.
Maar de directeur was een mens en sterfelijk. Na zijn dood drong zich een mate van droefheid op welke nooit meer zou verdwijnen. Langzaam maar onstuitbaar boog de kwaliteit neerwaarts en liep het aantal bijzondere voorstellingen terug. Het verwend publiek keerde teleurgesteld het theater de rug toe. Onafwendbaar kwam het moment dat de deuren nooit meer uitnodigend open zwaaiden.
Het theater kreeg tijd om te piekeren.
Kwam het door de melancholie welke in de gangen leek te hangen, de nu donkere en stoffige zaal waar enkel nog de echo klonk van vallende stukken pleister van verwaarloosde muren? Het was niet alsof mensen geen belangstelling meer hadden voor kunst en cultuur. Maar het publiek bleef buiten en liep voorbij, zo verdiept in hun kleine, handzame theatertjes dat ze soms zonder op te kijken de straat overstaken.
De aandacht eenmaal naar buiten gericht deed het theater beseffen dat aanpalende gebouwen, zelfs het hele blok, aan afbraak onderhevig was. Toch drong de brute realiteit pas echt tot het theater door toen de eerste sloopkogel tegen de eigen gevel begon te beuken. Een nieuw relevatie daagde, het besef dat Zelf, ongeacht de aard van de fysieke bouwstenen, tevens de schaduw van Eindig in zich meedroeg. Een siddering trok door het gebouw. Was dat enkel de sloopkogel?
Het theater kon zich de bouw niet herinneren, maar kende wel het moment waarop het stierf.