
IV – Hoe het altijd nog slechter kan en het slechte graag een handje helpt
door Ton Schevan
Twee dagen later – twee lange, hongerige dagen en twee nog langere, rusteloze nachten – hadden K.D. en Grietje weer een bijzondere ontmoeting; een wat eigenaardig, maar spraakzaam kereltje, die wel bijzonder geheimzinnig deed. Hij vertrouwde hen fluisterend toe dat niemand zijn naam wist en dat zij eerst zijn naam maar moesten raden voor hij bereid was hen verder te helpen. Niet dat zij er ook maar iets van verstonden; een rommelende maag overstemde alles. Dus moest alles, met veel geschreeuw herhaald worden. Al dat geschreeuw deed wel afbreuk aan het gewichtig gedoe en geheimzinnigheid.
Hoe spraakzaam hij verder ook zijn mocht, veel te vertellen had hij eigenlijk niet.
“Maar er moet toch een weg uit dit bos zijn!” riep K.D. ontdaan, zo zoetjesaan een beetje wanhopig.
“Waarom zou je het bos uit willen,” vroeg het anonieme ventje, en ontkende vervolgens dat, zelfs al zou je het willen, er ook werkelijk een weg uit het bos was. Na enig aandringen gaf hij toe dat, hoewel hij natuurlijk niets mocht zeggen, hij wel kon verklappen dat hij nog nooit van zoiets als ‘de rand van het bos’ gehoord had, laat staan van een weg eruit.
K.D. gooide het over een andere boeg. “Zitten er ook reuzen in dit bos?”
“Daar hoef ik niet moeilijk over te doen,” zei het kereltje, “Elk kind weet dat reuzen niet bestaan.”
Hij dacht even na en loerde vervolgens eens over zijn schouder. “Maar eh… in een bos waarvan niemand weet hoe groot het eigenlijk wel is – zelfs ik niet! – kun je natuurlijk zulke dingen nooit zeker weten. Maar ik ontken dat ik dat gezegd heb!”
“Heb je weleens van de naam Roodkapje gehoord,” vroeg Grietje plotseling.
Het ventje klapte meteen dicht en wou zelfs niet toegeven dat er een vraag gesteld was.
Op dat moment meende K.D. ineens speculaas te ruiken. Vers van de oven.
“Speculaas,” zei hij met zo’n merkwaardige klank in zijn stem dat de anderen hem verbaasd aankeken. “Ik ruik speculaas. En chocolade.”
Hij stak zijn neus in de lucht om te ruiken waar de geur vandaan kwam.
“Ik ruik het nu ook,” zei Grietje, “Jakkes, ik hou niet van chocolade.”
“Ik ruik helemaal niets,” liet het kereltje weten, “Echt helemaal, absoluut niks. En ik zou maar niet op onderzoek uitgaan, als ik jullie was. Niet dat ik er iets vanaf weet, natuurlijk, maar je loopt het gevaar zelf tot speculaas verwerkt te worden. Of chocolade. Of aardbeienijs. Of drop. Of suikerspin…”
K.D. luisterde al niet meer. Zijn maag kwam in actie en scheen uit eigener beweging in de juiste richting te trekken. Hij kon weinig anders doen dan gewoon volgen, de anderen verbaasd achterlatend.
Grietje slaakte een diepe zucht. “Hij kan ook alleen maar aan eten denken.”
“Daar weet ik niets van,” vertrouwde het ventje haar toe, “maar ik kan je wel verklappen dat het mij een geschikte knul lijkt.”
“Ach, wat weet jij nou daarvan, stommerd,” bitste Grietje, “Jij loopt niet al dagenlang met hem door dit stomme bos te zeulen.”
“Ik ga maar weer eens. Veel plezier verder!” En hij verdween razendsnel in het struikgewas.
K.D. bleek, ondanks zijn forse omvang, heel snel ter been te kunnen zijn. Als er eten in het spel was. Grietje had bepaald moeite hem in te halen, totdat zij ineens tegen hem aan botste omdat hij plots stil was blijven staan.
Voor hen lag een open plek met in het midden een snoepjeswinkel. Niet groot, maar toch een heuse, echte snoepjeswinkel, in de ruimste zin van het woord. Van binnen en van buiten, van de vloer via de muren tot het dak, allemaal snoepgoed.
Wat deed dat hier middenin het bos? Ook verdwaald soms? Deed het er iets toe? Welnee…
Als uitgehongerde wolven, nou ja, wolfkinderen, vielen K.D. en Grietje aan op al die lekkernijen, het eerste eetbare wat ze in dagen tegengekomen waren. Nou ja, K.D. vooral. Hij rukte koekjes, chocolade, drop en lolly’s van de muren en planken en stopte afwisselend alles in zijn mond of in zijn zakken. Zijn handen vlogen zo snel heen er weer dat ze niet meer met het blote oog te volgen waren. Grietje was nogal kieskeurig en probeerde voorzichtig enkele stukjes snoep uit.
Erg lang duurde dit festijn niet. Ze vochten net om het langste end van een dropveter, toen achter hen een allerakeligst en trommelvlies scheurende stem alle andere geluiden verpletterde. Zelfs een zekere maag.
“Afblijve mê jullie fikke!“
K.D. en Grietje keerden zich om en het snoep viel uit hun handen en opengevallen monden. Hun ogen volgden bijna dit voorbeeld. Daar stond de meest afschuwelijke, meest weerzinwekkende, meest ziekmakende vrouwspersoon van het hele bos en misschien wel van heel de geschiedenis. Als K.D. en Grietje ergens nachtmerries van over gehouden hebben, dan was dat wel van deze verschijning. Een heks. Geen namaak heks uit een of andere film. Nee, een echte.
Haar uiterlijk tartte iedere beschrijving. Een uitdaging welke ik, met het oog op mijn eigen nachtrust, maar beter niet aanneem. Misschien dat de volgende anekdote nog het meest voor zich spreekt. Het gerucht wil namelijk dat deze heks ooit eens de spiegel van Sneeuwwitje had gestolen. Toen zij voor de spiegel ging staan en vroeg wie er nu wel de mooiste was in het bos, slaakte de spiegel een diepe zucht en barstte spontaan in duizend-en-één stukjes uiteen.
Als die spiegel haar verschijning al niet aan kon, wat dan te denken van twee domme kindertjes die net betrapt waren op het plunderen van haar winkel? In tegenstelling tot spiegels spatten mensen niet spontaan uit elkaar, hoewel sommigen hun maag omkeren of de controle over hun sluitspieren verliezen. Anderen gaan in een hoekje zitten jammeren of vallen in zwijm, soms zelfs in coma. En dan heb je nog de groep die, als ze iets meemaken dat hun voorstellingsvermogen mijlenver te boven gaat, gewoon de boel verdringen en alles negeren wat er mee te maken heeft.
K.D. en Grietje keerden het mens de rug toe en gingen verder waar ze gebleven waren, namelijk vechten om het langste end van een dropveter.
Dat was niet erg verstandig. Als er één lichtgeraakt, slechtgehumeurd persoon bestaat die tevens bijzonder gevaarlijk is, dan is dat wel een heks. Heksen kunnen er heel slecht tegen wanneer ze worden genegeerd. Dit heeft iets te maken met een minderwaardigheidscomplex, waar veel heksen aan leiden. Het zijn in feit ook vaak eenzame personen. Niet dat alle eenzame mensen veranderen in heksen of boze tovenaars, voor alle duidelijkheid. Je wordt eerst heks en dan eenzaam. Het is dan ook echt de meeste stomme beroepskeuze die je maken kan.
Wat ik eigenlijk zeggen wilde; de heks werd kwaadaardig, voor zover ze dat al niet was.
Ze greep de bezem waar ze zojuist van afgestapt was en stoof op de kinderen af. Ze mepte en zwaaide en veegde en porde net zolang totdat de snoepdieven in een kooi gedreven waren, die merkwaardigerwijs al in een hoek klaarstond. De heks mepte het luik dicht en sloot het af met een spreuk. Geen mens zou dat nog open kunnen krijgen.
De heks opende haar mond en kakelde;
“Zo doen wij dat hier met kinderen die niet van snoep van een ander af kan blijven! Geniet hier maar een tijdje van al dat lekkers om je heen! Hèhèhè!”
Daarna verdween ze naar buiten.
Zouden ze dan nu werkelijk tot speculaas verwerkt gaan worden, zoals dat ventje gewaarschuwd had? Of drop, of chocolade, of… Zou dat pijn doen? Plotseling was de weg uit dit verschrikkelijke bos vinden niet belangrijk meer. De grootste vraag was nu, hoe overleef je je eigen speculaas-verwerking.
Buiten het snoepwinkeltje hoorden ze de heks met iemand praten.
“Dank je wel, Repelsteeltje. Je had gelijk, dit was precies het laatste ingrediënt waar ik al zolang naar op zoek was. Ik zal nu dat toverdrankje voor je brouwen, zoals afgesproken. Over een paar uur is het klaar.”
___
Het duurde uren voordat de heks zich weer liet zien, hoewel niemand dat echt een probleem vond, natuurlijk. Het was elke keer weer een schok als ze in beeld verscheen.
“En, hoe gaat het hier? Al een beetje gewend aan jullie onderkomen!? Hèhèhèhè!”
K.D. vond het niet nodig daar antwoord op te geven en Grietje had haar handen over haar oren en ogen geslagen, wat een hele prestatie is. Probeer maar eens. Maar de heks verwachtte geen antwoord. Ze stak een beschreven vel papier door te tralies van de kooi en vervolgens een pen.
“Tekenen!”
“Wat is dit?” K.D. bekeek het document met achterdocht. Was dit een gebruikelijk heksentruc?
“Kan je niet lezen? Maakt niet uit ook. Gewoon even handtekening zetten.”
K.D. kon best wel lezen, maar had toch even moeite met de hanenpoten van de heks. Het bleek een schuldbekentenis te zijn, die inhield dat zij zich schuldig hadden gemaakt aan het zich wederrechtelijk toe-eigenen en nuttigen van andermans snoepgoed. Dat ze vervolgens bereid waren hun schuld af te lossen door zich beschikbaar te stellen voor diverse, niet nader benoemde diensten. Het stond hen vrij in de tussentijd zoveel te snoepen als ze maar wensten, uiteraard tegen een redelijk tarief.
“Er staat hier dat elk snoepje een dag werk kost,” merkte K.D. op. “Als we niets eten verhongeren we en als we wel eten komen we hier nooit meer weg!”
“Ik wil hier uit!” snikte Grietje.
“Zet je handtekening en ik laat je eruit.” gniffelde de heks, “Niet eerder.”
“Nou, ik weet niet hoor,” zei K.D. aarzelend, “ik vind mezelf nog een beetje te jong voor een vaste betrekking. Neemt u geen genoegen met een normale geldboete?”
“Wat moet ik met geld? Ik heb geld zat.”
Ze zwaaide met haar handen, wrong enkele spreuken uit haar keel. Ineens regende het goudstukken in winkeltje. En ze waren niet van chocola met een goudkleurig wikkeltje.
“Denken jullie er nog maar even over na, als je wilt. Ik heb alle tijd. Hèhèhè.”
Buiten riep een stem.
“Ah, daar zal mijn kleindochter zijn.”
De heks scheen zowaar blij verrast te kunnen kijken.
“Ik ben hier!“
Even later verscheen een jong meisje in de deuropening. Als dit de kleindochter van de heks was, moest er iets merkwaardigs gebeurd zijn bij de genetische overdracht. Ze leek totaal niet op haar oma, had een weelderige bos rood haar, stralende blauwe ogen in een blozend gezicht en droeg een rode cape met een hoodie, gedrapeerd over een lijf waar een zekere wolf van zou gaan watertanden.
“Dag, Roodkapje. Goede reis gehad?” begroette de heks haar.
Roodkapje? K.D. en Grietje keken elkaar verbijsterd aan. Hoe kon zo’n schoonheid familie zijn van het lelijkste wezen sinds mensenheugenis?
“Dag, oma!”
K.D. keek met afschuw toe hoe deze deerne zonder schroom de heks om de hals vloog en haar op de wang zoende. Grietje keek een andere kant op, meer dan lichtelijk onpasselijk.
“Ik heb wat voor u meegebracht.”
Roodkapje opende een mandje en roerde in de inhoud.
“Een bosje rattenkruid, gestampte kattenhersentjes, slangenkoppen en een flesje dauw vergaard van de zonnedauw. Gaat u mij vandaag weer een paar trucjes leren?”
De heks lachte even, als dat tenminste de juiste benaming is voor het geluid dat ze produceerde.
“Misschien, misschien. Kom, laten we eerst even een kopje brandnetelthee gaan drinken.“
Ze verlieten het winkeltje.
“Ze keek niet eens naar ons!” K.D. had zich nooit zo verontwaardigd gevoeld.
“Stom kind,” mopperde Grietje, “Wie heet er nou ook Roodkapje?”
“Ik ken er nog een,” verklaarde K.D. geïrriteerd, “Grietje!“
Grietje werd boos. “Nou moet jij eens goed luisteren, Klein Duimpje Zwart. Nog één opmerking over mijn naam en je zoekt het verder zelf maar uit!”
“Mijn idee.” zei K.D..
En ze keken ieder een andere kant uit. K.D. hoopvol naar de deuropening en Grietje naar een toverbal die verstrooid over de vloer rolde. De schuldbekentenis lag vergeten tussen hen in. Toen Grietje wel erg lang strak naar de toverbal zat te kijken, verschoot deze plotseling van kleur en kuchte even.
“Ik word een beetje eng van je.” De toverbal had een slissende stem, “Kun je niet een andere kant opkijken?”
“Kun jij praten?” vroeg Grietje verbaasd.
“Wie of wat kan er niet praten in dit bossh? Een toverbal dussh ook.” De bal was duidelijk op zijn teentjes getrapt. “Ik kan trouwenssh nog veel meer!”
“Wat dan?” wilde Grietje weten. “Kan je ook toveren, soms?”
“Nee, helaassh!,” verzuchtte de toverbal, “Toveren kan ik niet.”
Grietje snoof verachtelijk. “Dan heb je maar een stomme naam, stomme toverbal.”
Waarop de toverbal weer van kleur verschoot en er verder het zwijgen toe deed. Een tijdlang bleef er een kille stilte hangen in en om de kooi.
Totdat de rust ruw verstoord werd door het gehuil van een wolf, vlakbij, gevolgd door een enorm kabaal, veel geschreeuw en gegrom. Er voltrok zich kennelijk een drama buiten, panklaar voor een sprookje. Het geschreeuw hield abrupt op, maar kort daarop begon het gehuil van de wolf opnieuw, met een jankende ondertoon. Wat was er toch gaande? Weer begon iemand te schreeuwen en te krijsen. Ook dat geluid werd ruw afgebroken. Daarna bleef het een tijdje stil.
In het snoepgoed winkeltje verdwenen langzaam de goudstukken die uit de lucht waren komen vallen.
Je kan je haast niet voorstellen hoe beangstigend het is als je van zo dichtbij de meest ijselijke geluiden hoort, zonder dat je enig idee hebt wat er allemaal gebeurd, en het angstige vermoeden door je hoofd begint te spelen dat jij wellicht het middelpunt van het volgende hoofdstuk kan zijn. De toverbal had zichzelf haastig weggerold naar een duister hoekje. K.D. en Grietje konden konden kiezen uit de vier hoeken van de kooi, maar zaten verlamd van angst in het midden.
Ze konden enkel afwachten wat er nog meer komen ging.
Het duurde even, maar uiteidelijk verscheen een bekende wolf in de deuropening; die met de grote mond vol scherpe tanden. Hij keek even om zich heen, drentelde naar de kooi en bekeek mistroostig het opgesloten tweetal. Toen zakte hij op z’n achterste en begon hartstochtelijk te huilen.
K.D. kon hem maar met moeite tot bedaren brengen. “Kom, kom. Ben jij nou een wolf? Wolven huilen niet. Hooguit alleen bij volle maan.”
“Roodkapje heeft me bedrogen,” snikte de wolf, “Ze heeft me in de maling genomen, voor schut gezet, de draak met me gestoken. Dat is heel vernederend voor een wolf.”
“Hier.” K.D. reikte de wolf de schuldbekentenis aan. “Snuit je neus en droog je tranen.”
De wolf deed wat hem gezegd was.
“Ik zie nog niet helemaal hoe Roodkapje zo gemeen zou kunnen zijn als jij zegt,” meende K.D., “Zo lief en aantrekkelijk.”
“Wat je zegt.” De wolf liet nog wat snikken horen. “En ze smaakte ook net zo als ze er uitzag. Maar haar oma…!” En hij barstte weer in snikken uit.
K.D. keek de wolf ontsteld aan. “Je hebt Roodkapje opgegeten!?“
“Natuurlijk,” zei de wolf, “Had ze mij maar niet moeten bedriegen. De afspraak was dat ik haar grootmoeder te grazen zou nemen, zodat Roodkapje haar snoep winkeltje kon overnemen. Maar ik kwam te laat omdat ik de weg kwijtraakte en toen bleek bovendien dat haar oma niet te vreten was.” De wolf rilde even. “Toen heb ik Roodkapje maar opgepeuzeld. Niet dat ik nu verzadigd ben, hoor. Ik had zo’n honger na al dat zoeken!”
K.D. schudde meewarig zijn hoofd. “En nu?”
“Toen had ik gedacht jullie maar op te vreten,” bekende de wolf, “Maar daar zitten jullie dan, onbereikbaar in een kooi! Het is niet eerlijk!”
“Tjee! Vervelend hoor.” meende Grietje.
De wolf vertoonde even zijn tanden, “Met jou praat ik niet.”
Hij stond op en gaf K.D. het snotterige schuldbekentenis terug, “Bedankt voor je medeleven. Ik weet nog ergens 7 geitjes te wonen. Misschien heb ik daar meer geluk.” En met die woorden verdween hij, droevig sjokkend, de deur uit.
Nu werd het pas echt stil en verlaten rond het snoepgoed winkeltje, middenin het bos (waarvan niemand wist hoe groot het nou eigenlijk wel was).
Was dit dan het einde? Of kon het nog slechter?