Klein Duimpje & het Grietje van Hans – epiloog

Epiloog – Het einde van het sprookje en een nieuwe werkelijkheid

door Ton Schevan

Later diezelfde dag namen K.D. en Grietje afscheid.

“Weet je zeker dat je met die prins mee wilt?” K.D. kon er nog steeds niet helemaal bij.

“Wat een stomme vraag! Natuurlijk weet ik dat zeker. Thuis was ik gewoon Grietje Worst, maar nu kan ik prinses Margriet worden. Of prinses Gertrude.”

“Ik zal je missen,” bekende K.D. en verraste daarmee vooral zichzelf.

“Tuurlijk zal je dat,” begreep Grietje, “Maar de zoon van een kolenboer was me eigenlijk altijd al te min. Wees blij dat je een tijdje mijn vriendje mocht zijn.”

“Die prinselijke verwaandheid heb je snel opgepikt,” meende K.D..

“Hoe bedoel je, verwaand? Ik zeg gewoon zoals het is.”

“OK, OK. In dat geval kan ik wel verklappen dat ik alleen met je speelde omdat je vader mij soms lekkere worstjes toestopte voor thuis.”

“Dat lieg je!”

“Ahum,” kwam het kereltje tussenbeide, “Kan ik van jullie de garantie krijgen dat jullie mijn naam niet zullen verklappen?”

“Je kan de garantie krijgen dat ik hem niet zal vergeten,” verzekerde K.D. hem.

Grietje verhief haar kin. “Men verlangd geen garanties van prinselijke personen aangaande hun mededeelzaamheid in gunstige dan wel ongunstige zin aangaande derden. Scheer je weg, schelm!”

Het mannetje boog en vertrok.

“Oh! Dat werkte goed.” Grietje keek verbaasd. “Dat moet ik onthouden.”

De prins, hoog gezeten op zijn witte paard, keek ondertussen steeds ongeduldiger. “Kom je nog, madeliefje?”

“Toedeloe!” zwaaide Grietje en liet zich door de prins voor hem op het paard tillen.

Met een knikje van de prins en wat laatdunkend gesnuif van paard Ed verdwenen zij tussen de bomen.

___

En opeens was hij alleen. K.D. keek eens om zich heen, naar de resten snoepgoed, verspreid over het terrein, de bloederige resten van een vervaarlijke wolf, en het bos (waarvan nog steeds niemand wist hoe groot het nou eigenlijk was,) dat zich in alle richtingen oneindig uitstrekte. Wat voor een avonturen lagen daarin verborgen, wat voor vreemde figuren en wonderbaarlijke gebeurtenissen lagen daar ter ontdekking te wachten?

Op hem, op K.D. met zijn zevenmijlslaarzen. Hij klopte eens op zijn zakken, tot de nok toe gevuld met snoepgoed. Hij was er klaar voor. Eén stapje en die open plek in het bos lag meteen ver achter hem. Ha! Dit was pas reizen!

En zo toog K.D. op weg. Op zoek naar de weg naar zijn thuis, maar dan met een fikse omweg. Hij speurde het hele bos af, naar (uiteraard) eten, naar overleefbare avonturen, naar sprookjesachtige figuren, naar reuzen, want hij bleef daarin geloven.

[Maar wat hij allemaal tegenkwam, meemaakte en te eten vond, en of daar ook reuzen bij betrokken waren, hoort thuis in een ander verhaal.]

Na vele omzwervingen en nog veel meer avonturen, ontdekte hij als eerste en enige persoon hoe groot het bos in werkelijkheid was en vond toen pas de weg naar huis.

Het huis was echter verdwenen. Twee jaar was hij weggeweest en verder leek er niet veel veranderd, maar de plek waar het huis had gestaan was alleen nog terug te vinden door de aanwezigheid van een reusachtige berg overwoekerde kolen. Het huisje van de buren, de familie Worst, stond nog wel overeind, zij het met moeite. Het bood een verwaarloosde aanblik. KD trok zijn laarzen uit en klopte gedecideerd op de deur.

Het duurde erg lang voordat de deur op een kiertje geopend werd en slager Worst gedeeltelijk zichtbaar werd. Hij zag er jaren verouderd uit. Argwanend bekeek hij zijn bezoeker. Wat hij zag was een verwaarloosd joch op blote voeten.

De deur ging iets verder open. “Ach kind toch! Gut-e-gutte-gut. Uit het weeshuis ontsnapt, zeker?”

“Helemaal niet!” zei K.D. verontwaardigd, “Ik ben het, Klein Duimpje!”

De oudere man schudde verbijsterd zijn hoofd en deed de deur nog een fractie verder open. “K.D.? Het arme, hongerige vriendje van Grietje? Grietje is op dezelfde dag verdwenen als jij en je ouders, wist je dat? Nooit meer gezien. Ons lieve kind, zomaar, plots verdwenen.”

De man nodigde hem binnen en riep zijn vrouw erbij, die nog ouder en meer ontredderd bleek als haar man. “Heb jij Grietje niet ergens gezien?” vroeg ze hoopvol.

Wat moest hij zeggen? Als hij vertelde dat ze nu waarschijnlijk Gertrude heette en mogelijk al getrouwd was met een prins zouden ze hem uitmaken voor een ongevoelige fantast en hem prompt de deur uitschoppen.

“Eh… Nou, ik heb wel een meisje ontmoet dat Roodkapje heette,” antwoordde hij ontwijkend.

“Roodkapje? Wat een stomme naam.” Mevrouw Worst schudde verbijsterd het hoofd.

K.D. stapte maar gauw over op een ander onderwerp. “Wat is er eigenlijk met ons huis gebeurd?”

Het was meneer Worst die antwoord gaf, na een aarzeling. “Nou, dat was zo’n vreemde geschiedenis. Daags nadat jullie verdwenen waren verscheen er ineens een kudde olifanten uit het bos die een of ander spoor volgde. Ze walsten pardoes over jullie huisje heen. Ze zijn uiteindelijk doodgeschoten en het hele dorp heeft er maandenlang goed van gegeten. Als Grietje dat nog had mogen meemaken!”

En ze barstten allebei in tranen uit.

Uiteindelijk adopteerden zij K.D.. Ze konden het niet over hun hart krijgen hem naar het weeshuis te sturen. “We hebben eigenlijk altijd al een zoon willen hebben,” zeiden ze, “En gezien de eh… situatie, lijkt ons dat een prima oplossing.”

K.D. had eerst nog wat bedenkingen, maar eenmaal voorgenomen wilden ze van geen tegenspraak weten. Alleen vonden ze K.D. maar een stomme naam.

“We noemen je Hans,” besloot zijn nieuwe moeder.

K.D. keek wat zuur. “Ik geloof niet dat ik ‘Hans Worst’ nou zo’n leuke naam vind,” stribbelde hij tegen.

“Altijd beter dan Klein Duimpje Worst,” waren zijn ouders het unaniem met elkaar eens, “Bovendien bepalen ouders de naam van hun kind. Dus mond houden of je kan zonder eten naar bed.”

En zo is het ook gegaan. K.D., pardon, Hans schikte zich in zijn lot en deed nooit zijn mond meer open, of het moest zijn om er eten in te stoppen. Maar hij wist één, nee, twéé dingen die hem houvast en toekomst gaven. Hij wist de naam van een zeker kereltje voor als hij ooit hulp nodig mocht hebben. En hij bezat een stel onooglijke laarzen die hem in een oogwenk weg zouden voeren, wanneer, waarheen en hoe ver hij maar wilde.

En wie zou zoiets niet willen?

E I N D E