
V – Sprookjesachtige ontwikkelingen in een ingewikkeld sprookje
door Ton Schevan
Mistroostig staarde K.D. naar de open, maar onbereikbare deur. “Nou, daar zitten we dan.”
Grietje haalde even diep adem. “Je bedoelt, opgesloten in een kooi welke met een spreuk is vergrendeld door iemand die zojuist is opgepeuzeld door een hongerige wolf, en die vervolgens, mochten zeven geitjes hem te slim af zijn, ons alsnog als alternatief lunchpakket beschouwd, terwijl wijzelf honger lijden te midden van bergen onbereikbaar snoepgoed, middenin een onmetelijk, onvoorspelbaar bos waarin een klein stiekem ventje er geen gat in ziet om ons, mogelijk herhaaldelijk, uit te leveren aan wie er maar geïnteresseerd is in kinderarbeid, lunch of domweg leedvermaak, om tot slot maar te zwijgen over het totale gebrek aan sanitaire voorzieningen in deze kooi. Dat?”
“Ja, dat. Mooie volzin, trouwens. K.D. reikte haar het met wolf-snot besmeurde schuldbekentenis aan, “Hier, heb je in elk geval iets als toiletpapier.”
“Jakkes,” zei Grietje. “Waarom heb je trouwens die bekentenis niet gewoon getekend! Dan hadden we in elk geval niet meer in deze kooi gezeten.”
K.D. haalde zijn schouders op. “En waren we vervolgens door de wolf opgevreten. Nu leven we tenminste nog.”
“Ja nou, wat een leven.” Ze rammelde aan de spijlen van de kooi. Die waren van uitstekende kwaliteit.
De toverbal kwam weer voorzichtig uit zijn hoek te voorschijn en wiebelde opgewonden heen en weer. “Ik kan jullie anderssh wel verklappen… Nee, laat maar. Ik ga het niet verklappen ook.”
“Fijn, bedankt,” mopperde K.D..
De toverbal dacht even na. “Laten we een sshpelletje doen. Jij mag mij drie vragen sshtellen. Wanneer ik op één vraag het antwoord niet weet, moet ik een wenssh van jou vervullen.”
K.D. keek bedenkelijk. “En wanneer je wél alle antwoorden weet?”
“Dat is je eersshte vraag?” de toverbal scheen verbaasd, “Bessht, moet je zelf weten. Wanneer ik allessh kan beantwoorden, moet jij een wenssh van mij vervullen.”
“Ik ben helemaal niet akkoord gegaan met dit spelletje.” protesteerde K.D., “Bovendien kan ik mezelf nog niet eens naar huis wensen, laat staan wensen van anderen vervullen.”
“Dat issh allemaal niet van belang,” meende de toverbal. “Maar goed, jij je zshin. Wat is dan je eersshte vraag?”
Na een diepe zucht bedacht K.D. het volgende; “Hoe komen we dit bos uit?”
“Tja,” mijmerde de toverbal, “Dat ligt wat precair. Er issh maar één manier en een onzshekere bovendien. Alssh je de kanssh krijgt moet je de zshevenmijlsshlaarzshen kopen van de gelaarsshde kat, wanneer hij zshe aanbiedt. Maar alssh ik goed ben ingelicht krijg je die gelegenheid maar één keer.”
“Hebben zevenmijlslaarzen iets met reuzen te maken, eigenlijk?” wilde K.D. weten.
“Hoe kom je daar nu toch bij?” De toverbal draaide opgewonden een pirouette. “Reuzshen besshtaan niet. Dat weet een kind.”
“Zei ik toch!” riep Grietje vanuit een hoek.
“Dat wassh dan vraag twee,” liet de toverbal weten, “En een domme bovendien.”
“Goed, goed” zei K.D., “Probeer deze dan maar eens. Hoe groot is dit bos nou eigenlijk?”
“Niemand weet hoe groot dit bossh nou eigenlijk wel issh,” jammerde de toverbal, “Dat wassh een gemene vraag!”
“Ha!” riep Grietje opgetogen.
“Kan wel zijn,” meende K.D., “Maar met het antwoord schiet ik geen bal op.”
De toverbal verschoot in een reeks van kleuren. “Ik moet anderssh nu wel een wenssh van je vervullen, ja!” Nadat hij stabiel oud-roze geworden was, vervolgde hij iets rustiger, “En, wat issh je wenssh? Ik moet je nog wel vertellen dat die wenssh binnen het bossh moet liggen. Aangezshien ik niet weet hoe groot het bossh is kan ik je ook niet naar ietssh daarbuiten wensshen.”
“Dat hoeft ook niet,” zei K.D. bedachtzaam.
“Voel jij je wel helemaal lekker?” Grietje kwam verontwaardigd uit haar hoek.
K.D. trok zich er niets van aan. “Ik wens, ik wens, ik wens… de gelaarsde kat te spreken.”
“Uw wenssh is mij een bevel,” zei de toverbal.
Prompt verscheen de gelaarsde kat in het winkeltje, net doende zijn broek op te hijsen. “Hé! Ik was bezig!”
De toverbal kuchte even. “Sshorry, maar K.D. wil je sshpreken,” legde de toverbal uit. “Ik vermoed dat hij wil dat jij hem je laarzshen te koop aanbiedt.”
“Aha,” zei de kat, “Heb je hem ook uitgelegd dat ik zoiets maar één keer doe?”
“Natuurlijk!” riep de toverbal, ietwat geïrriteerd, “Maar of ie ook geluisshterd heeft weet ik niet.”
Ze keken allebei K.D. afwachtend aan. Grietje zat te mopperen, “Één wens kregen we, ééntje maar. En wat wenst meneer? Een kat.”
K.D. schraapte zijn keel. “Je hebt,” zei hij, de gelaarsde kat strak aankijkend, “Je hebt de laarzen aan Grietje te koop aangeboden. Maar niet aan mij. Je was alweer vertrokken voordat ik er op reageren kon.”
“Jullie horen toch zeker bij elkaar?” De kat klonk wat gepikeerd, “Samen verdwaald en zo.”
“Dat kan zijn. We zijn lotgenoten, meer niet. Samen verdwaald zijn betekent niet automatisch ook samen één rechtspersoon vormen. Je had de laarzen ook mij moeten aanbieden.”
“Wat is dit nu weer voor onzinnig technisch geneuzel,” riep de kat verontwaardigd uit, “Over een of ander futiel, overgewaardeerd detail! Samen uit, samen thuis, samen de nodige laarzen aanschaffen. Nergens staat dat ik uitvoerig iedereen persoonlijk de laarzen moet gaan zitten aanbieden. Met een kopje koffie erbij, zeker? Vergeet het maar!”
“Tja,“ mompelde de toverbal, “Daar wassh ik al bang voor. Je had ook beter kunnen wensshen dat ik jullie uit die kooi zshou bevrijden. Zelfssh al had je die zshevenmijlsshlaarzshen kunnen krijgen, opgesshloten in een kooi had je er toch nietssh aan gehad.”
Vanuit de hoek achter K.D. klonk een snik.
“Ahum,” klonk het vanuit de deuropening. Daar kwam een klein ventje binnen gedrenteld. “Wat een drukte hier. Maar degene die ik zoek zie ik nergens.”
“Wie zshoek je dan? Heb je hier wel wat te zshoeken?” De toverbal gedroeg zich alsof hij hier nu de dienst uitmaakte.
“De heks, natuurlijk. Ze zou een toverdrankje voor mij prepareren.”
“Ach ja, je beloning. Ik denk niet dat zshe daar aan toe gekomen issh.”
“Waar was dat toverdrankje een beloning voor?” KD keek het kereltje verwonderd aan.
Het kereltje begon schichtig links en rechts te kijken. “Dat ga ik jou niet vertellen.”
“Waar heb jij nou een toverdrankje voor nodig?” wilde de kat weten.
“Dat ga ik al helemaal niet vertellen.”
“Ik weet het toch wel,” merkte de toverbal luchtigjes op, “Ik weet allessh.”
“Jij weet helemaal nikssh! Je weet niet eenssh wat voor kleur je wilt zshijn of hoe je een ssh uitspreekt.”
“Ik weet meer, veel meer, dan jij weet,” beweerde de toverbal en stuiterde geagiteerd op en neer.
“Halloohoo! Kunnen we ons even tot de hoofdzaken beperken, ja?” K.D. rukte boos aan de tralies. “Hoe komen wij hier uit deze kooi en weer veilig thuis!”
“Het is maar wat je belangrijk vindt,“ meende de gelaarsde kat.
“Daarvoor moet je bij de heks zijn,” zei het kereltje, “ook al is ze even zoek.”
“Nikssh ‘zshoek’,” wierp de bal er tussen, “Ik wissht het wel. Je weet zshelf helemaal nikssh!”
“Ja, waar is ze eigenlijk?” De gelaarsde kat keek verwonderd om zich heen. “Normaal gesproken had ze ons allang het winkeltje uitgejaagd.”
“Ja nou, haar verschijning was doorgaans al voldoende om spontaan de benen te nemen,” kon het kereltje niet nalaten op te merken, “Wat een engerd.”
“Je had haar anderssh wel vaak nodig voor die sshchimmige zshaakjes van je,” merkte de toverbal fijntjes op.
“Gewoon wederzijdse diensten. Voor wat, hoort wat. Niks schimmigs aan.”
Mistroostig liet K.D. zich naast Grietje in een hoek van de kooi zakken. “We komen hier nooit meer uit.”
“Je had die bekentenis moeten tekenen! Je had wat anders moeten wensen dan een stomme kat! Je had, nou ik er eens over nadenk, een spoor van kiezelsteentjes moeten achterlaten, in plaats van stomme broodkruimels wat elke scharrelaar in het bos oppeuzelt!”
“Zei ze ‘stomme kat’?” wilde de gelaarsde kat weten.
“Een sshpoor van broodkruimelssh?” herhaalde de toverbal verbaasd.
“Ja, je had gelijk. We hadden beter door die wolf opgevreten kunnen worden dan van honger en ellende in deze kooi omkomen.”
“Welke wolf?” vroeg het kereltje.
“Kom, kom. Niet zsho negatief,” sprak de toverbal, in een poging hen op te beuren. “Ik kan jullie elke dag wat te eten komen brengen. Je hoeft echt niet van honger om te komen.”
“Jij hebt geen idee welke hoeveelheden aan eten K.D. elke dag nodig heeft. De kooi is er nog te klein voor.”
“Ach jawel,” mijmerde de bal, “Sshnap ik bessht. Ik heb zshelf kinderen gehad die in de groei waren.”
“Kunnen we ons alsjeblieft één minuutje op één onderwerp concentreren!” smeekte het ventje. “Ik heb belangrijke afspraken en dringend mijn toverdrankje nodig. Dus, waar is de heks!”
“Dood,” antwoordde K.D..
“Opgevreten,” vulde Grietje nader aan.
“Door de wolf,” legde de toverbal uit.
“Waarschijnlijk alleen aangevreten, hoor” vervolgde K.D., “De wolf zei dat hij haar niet te pruimen vond.”
“Hij moest er zelfs van huilen,” bracht Grietje te berde, “Alsof ie thuis nooit spruitjes te eten heeft gekregen. Dat is pas om te janken.”
“Dood?” herhaalde het kereltje, een beetje traag. “Opgevreten!”
“Ja, net als haar kleindochter. Roodk… Roodkapje.” K.D. leek er nog steeds wat van ontdaan.
“Ach nee! Is Roodkapje ook dood? Ik vond dat juist zo’n heerlijk kattig persoontje.” De gelaarsde kat moest er een bij gaan zitten. “Wat een ontwikkelingen allemaal.”
“Ken je soms de zeven geitjes? Die waren de volgende kandidaten op z’n menu.”
“Oh, die kunnen wel voor zichzelf zorgen.”
“Opgevreten.” herhaalde het kereltje nogmaals. “Dood.”
“Gelukkig zaten we in deze kooi, anders had ie ons ook nog te grazen genomen.” K.D. huiverde even.
“Gelukkig?” riep Grietje boos uit. “Ik voel mij anders helemaal niet zo gelukkig!”
“Zsho’n sshlechte plek is het anderssh niet in dit onvoorsshpelbare bossh,” De toverbal probeerde nogmaals het tweetal op te vrolijken. “Het issh echt de veiligsshte plek die er issh.”
“Ook de saaiste,” mopperde Grietje.
“Dood. De heks is dood.” Het kereltje was nog steeds druk zichzelf te overtuigen dat hij het goed gehoord had, maar hij keek al een stuk opgewekter.
K.D. hield hem bezorgd in de gaten.
“Maar eh…” De gelaarsde kat keek hen om de beurt aan, “Als de heks dood is, wat doen jullie dan nog in die kooi?”
K.D. keek hem verbaasd aan. “Omdat zij de kooi met een spreuk heeft vergrendeld. En nu is er niemand meer die de kooi openen kan!”
“DE HEKS IS DOOD!” riep het ventje opeens en begon toen hard te lachen. “HAHAHA! Ze is dood! Ze is dood! Hoera! Wat een mazzel!”
“Hij issh wel heel erg van sshlag door haar dood,” merkte de toverbol bezorgd op. “Je wordt toch niet gevaarlijk alssh je van sshtreek bent, hè?”
“Van streek? Welnee, ik ben dolblij! Hahaha! Nu weet werkelijk geen enkele levende ziel nog hoe ik heet! Yes!”
“Is dat niet verschrikkelijk eenzaam?” vroeg Grietje zich verwonderd af.
“Ik snap ook niet dat hij daar zo vrolijk van wordt,” Meewarig schudde K.D. het hoofd.
“Zeg,΅ interrumpeerde de gelaarsde kat ongeduldig,” Willen jullie nou nog uit die kooi of niet?”
“Ja, natuurlijk. Wat een stomme vraag.” K.D. keek hem verontwaardigd aan.
“Nou, doe dan gewoon dat luik open.”
“Wat?”
“Doe gewoon dat luik open. Als degene die een spreuk heeft uitgesproken dood is, dan verliest die spreuk zijn kracht. Probeer maar.”
“Oh,” riep K.D. en dacht aan het vreemde verdwijntrucje van de neergevallen goudstukken. Voorzichtig duwde hij tegen het luik. Het zwaaide zonder problemen open. Opgelucht stapten K.D. en Grietje uit de kooi en strekten hun rug. “Poeh!”
“En dat wist jij zogenaamd niet? Of was dit wat je niet verklappen wou?” K.D. keek de toverbal achterdochtig aan. ¨Je probeerde al de hele tijd om ons te laten wennen aan het idee voor altijd opgesloten te zitten!”
“Helemaal niet!” riep de toverbal, maar hij verschoot wel een dozijn keer van kleur.
“Oh, dat weet ik wel zeker,” meende de kat, “Leer mij toverballen kennen.”
“Precies,” Het ventje stond nog steeds breeduit te grijzen, maar was het met de kat eens. “Toverballen zijn echt onbetrouwbaar en kleuren net zoals het hun uit komt.”
“Echt niet!” De toverbal probeerde zich te verdedigen, maar Grietje pakte hem op en stopte hem in haar mond. “Daar had ik al de hele tijd zin in.” zei ze met volle mond. Meteen daarop gevolgd door, “Auw!”
Ze spuugde de bal uit. “Die gemenerd zit me te bijten!”
“Gemenerd? Ikke? Jij bent degene die mij op wou eten, hypocriete griet! Moet jij nodig nog eenssh de wolf besshchuldigen dat ie persshonen opvreet!”
“Daar heeft hij wel een punt,” meende K.D., “Maar aan de andere kant was hij duidelijk van zins ons voor één van zijn z’n eigen, dubieuze plannetjes te gebruiken.”
“Ik zit daar niet zo mee, hoor,” zei de gelaarsde kat, en trapte met alle macht op de bal. Die gaf met een luide KNAK! de geest. “Opgeruimd staat netjessh. Jullie moesten deze snoepgoed winkel ook maar neerhalen en opruimen.”
“Mooi,΅ zei het kereltje, “Nu dat opgelost is ga ik er maar weer eens vandoor.”
“Ja, ik ook,΅ beaamde de gelaarsde kat, “Tijd om m’n benen eens te strekken.”
“Hola! Niet zo snel,” wierp K.D. tegen, “Jij gaat ons eerst helpen om thuis te komen, ventje!”
“Wie? Ik? Waarom zou ik dat doen?”
“Omdat wij door jouw toedoen bijna tot speculaas verwerkt zijn.”
“Mijn toedoen? Hoe kom je er bij!”
“Is dat niet waarom je dat toverdrankje zou krijgen van de heks? Als tegenprestatie?”
“Ik snap niet hoe je dat allemaal verzonnen krijgt. Grote onzin!”
“Nou, het klinkt anders wel aardig zoals jij gewoon bent je schimmige zaakjes te regelen.” De kat sloeg geamuseerd zijn armen over elkaar, “Ik wil ze wel geloven.”
“Al zou het waar zijn, ik zie niet wat er fout aan was en al helemaal niet waarom ik iets zou moeten doen om dit onnozele tweetal te helpen.”
“O jawel! Jij gaat de kat hier overtuigen om mij zijn laarzen te verkopen. En zo niet, dan ga ik verklappen wat je naam is,” beet K.D. hem toe.
“Ho, ho ho! Daar hebben we het al over gehad!” protesteerde de gelaarsde kat. “Ik ga ze echt niet apart jou ook nog eens aanbieden.”
“Jij weet mijn naam helemaal niet,” pochte het ventje.
K.D. keek Grietje aan. “Zeg jij het of zeg ik het?”
Grietje boog zich neer naar het kereltje en grijnsde hem van dichtbij in z’n gezicht. “We hoorden toevallig de heks jou bij je naam noemen. Zal ik het hier herhalen? Of het iedereen vertellen die we tegenkomen?”
Het ventje verbleekte. “Ik wou dat ik jullie nooit was tegengekomen.”
“Wat dat betreft voel ik wel met je mee,” moest de kat bekennen. “Maar mij overtuigen om mijn laarzen te verkopen gaat je toch echt niet lukken.”
“Oh nee? Moet ik soms verklappen waar jij die laarzen vandaan hebt?”
Nu was het de beurt aan de kat om te verbleken, al is dat bij katten soms wat lastig te zien.
“Wat een fraai stelletje,” zuchtte K.D.. “Kom op met die laarzen!”
Gelaten ging de gelaarsde kat op de grond zitten en trok zijn laarzen uit. Zo te ruiken, had hij ze erg lang aan gehad. “Zal wel even wennen zijn, zonder die dingen. Trouwens, waarmee denk je ze te betalen?”
Daar had K.D. even niet over nagedacht.
“Ik wil je er wel even voor over je bolletje aaien!” riep Grietje, opgelucht nu het er toch eindelijk naar uitzag dat er manier was om aan het bos te ontsnappen. En een kat is tenslotte een kat, helemaal eentje zonder laarzen aan.
“Nee, nee! Niet doen!” riep de ongelaarsde kat geschrokken, “Straks krijg…”
Te laat. Grietje had hem al opgetild en drukte een zoen op z’n kop. Prompt begon de kat te veranderen. Geschrokken liet Grietje hem vallen, hij werd ontzettend zwaar. Voor haar ogen veranderde de kat in een prins op een wit paard, die prompt met zijn hoofd tegen het zuurstokken-plafond van het winkeltje beukte en een gat in het dak boorde. Het paard schrok van de plotselinge overgang en begon onrustig te stampen.
Iedereen sprong geschrokken naar achteren en drukte zich tegen de wand. Met paard en berijder erbij werd het wel erg krap in het winkeltje.
Op dat moment verscheen de wolf in de deuropening. “Die geitjes was ook al geen… Ooooooh, lekker, een paard!”
Dat werd het arme rijdier teveel. Hij begon te steigeren.
“Aiyaiiiiiiiiiii!” kreet de prins en viel van van zijn witte ros, maar bleef net met zijn kin aan de rand van het gat hangen. Eventjes. Toen kletterde hij alsnog naar beneden.
Het paard, opgesloten in een kleine ruimte met een wolf in de deuropening, wist niet meer waar het blijven moest. Met rollende ogen zocht het wanhopig een uitweg, een achteruitgang, die het winkeltje nu eenmaal niet rijk was. Maar ook voor paarden geldt dat zelfredzaamheid een prijzenswaardige instelling is. Geen nooduitgang? Dan creëer je er zelf een. Met groot allure sprong het paard opzij, dwars door de muur van speculaas, en verdween tussen de bomen. Het hele winkeltje stortte vervolgens in elkaar en bedolf iedereen binnen onder een berg snoepgoed.
De wolf kon nog net op tijd opzij springen. Hij leek te twijfelen of hij achter het paard aan zou gaan of niet. Een echt moeilijke beslissing was het niet. Het tweetal lag op dit moment begraven onder hopen snoep, terwijl een paard heel wat meer vlees te bieden had. De wolf keerde zich om en ging op jacht.
Het duurde even voordat iedereen zich uitgegraven had. K.D. vrat zich een weg naar buiten, Grietje groef een tunnel en het ventje volgde een andere, wat schimmiger route. Van de prins ontbrak elk spoor, totdat hij met een ruk overeind kwam. Het snoepgoed vloog alle kanten op.
“Hé” riep K.D. verbolgen, “Ik was net bezig met foerageren!”
De prins wreef over zijn hoofd, waar een bult verscheen. Zijn kin zag er ook niet helemaal gaaf meer uit. Evengoed zag hij er nog best knap uit, met rood haar en blauwe ogen. Hij had een broer van Roodkapje kunnen zijn.
“Deze terugkeer is niet geheel zoals ik mij deze had voorgesteld,” mompelde hij.
“Ben je nou een kater of een prins?” wilde Grietje weten. Ze zat hem met grote ogen op te nemen.
De prins keek haar neerbuigend aan. “Het moge duidelijk zijn dat ik van prinselijke bloede ben. Je mag mij zodoende aanspreken met ‘Uwe hoogheid’.”
“Nou, als het mag, verkies ik wel om het niet te doen.” antwoordde Grietje snibbig.
“Dat is niet hoe ik het bedoelde!” zei de prins streng, “Gelieve de verlangde etiquette te respecteren en correct te hanteren wanneer je mij adresseert.”
“Als kat kon ik je tenminste nog volgen en waarderen, maar dit is belachelijk! Kan ik je soms ook terug-kussen in een kat?”
“Men kust niet ongenood een prins!”
“Wat denk jij?” vroeg K.D. aan het kereltje.
En warempel, voor die ene keer gaf hij zonder voorwaarden of uitvluchten een direct antwoord. “Zes minuten en twee-en-dertig seconden, schat ik. Dan liggen ze in elkaars armen.”
Hij zat er drie seconden naast, maar het was alleszins een rappe ontwikkeling. Prins en Grietje keken elkaar diep in de ogen. Kort daarop kwam het paard weer tevoorschijn uit het bos.
“Die wolf ligt pakweg 30 seconden op mij achter, Hoogheid. Hij is uit conditie of vermoeid.”
“Dertig seconden is perfect, Ed. Goed gedaan.”
De prins greep zijn zwaard en stond klaar toen de wolf uit de bosjes sprong. Met een geroutineerde zwaai van het zwaard reet hij de wolf, op het hoogste punt van zijn sprong, van voor tot achter open. En mocht iemand de hoop hebben gekoesterd dat er nog slachtoffers levend uit zijn maag gered kon worden, dan was één blik voldoende om je eetlust een week lang te bederven.
K.D. uitgezonderd, natuurlijk. Sommige zaken blijven altijd hetzelfde.