Klein Duimpje & het Grietje van Hans – hs I

I – Het begin van het sprookje en het besluit van niet zo sprookjesachtige ouders

door Ton Schevan

Er was eens, in een land en tijd ver van ons verwijderd, een onmetelijk groot bos waarvan niemand wist hoe groot het nou eigenlijk wel was. Er waren in die tijd wel meer hele grote bossen, met veelal ook dezelfde naam; Kroondomein. Maar dit bos was een geval apart; zelfs de Kroon had het niet gewaagd hun majesteitelijke handen te branden aan dit bijzondere bos. Geen enkel mens, zelfs wereldberoemde ontdekkingsreizigers niet, was ooit uit dit bos teruggekeerd. Mogelijk waren ze onderweg van ouderdom gestorven of wellicht nog steeds onderweg. Hoe dan ook, niemand wist dus hoe groot het nu eigenlijk wel was.

Niemand waagde zich nog dit bos in, of niet verder dan het langste touw dat men vinden kon en wat zat vastgeknoopt aan een van de meest buitenste boom. Tot men er achter kwam dat bomen in dit bos niet zo geworteld waren als je normaal gesproken van bomen zou verwachten. De lijst van vermiste personen in die tijd is opvallend lang.

Aan de rand van dit bos stond een huisje. Ondanks de ogenschijnlijk idyllische ligging stelde het huisje niet veel voor. Het was een krot. Een onbewoonbaar verklaard, maar toch bewoond krot. Hier woonde het gezin van een kolenboer, Zwart genaamd. Tegenwoordig zijn kolenboeren uitgestorven, maar vroeger kende bijna iedereen wel een boer van dat type. Ze brachten de kolen bij je thuis en lieten dan niet alleen kolen maar ook overal zwarte vegen achter. Erg geliefd waren ze niet. Het hele land haalde opgelucht adem toen het op schoon aardgas kon overstappen.

Daarom woonde de familie Zwart nu in een krot. Ze zaten op zwart zaad. Met kolen viel geen droog brood meer te verdienen, laat staan dat je er de kachel mee brandende kon houden. Figuurlijk gesproken dan; kolen hadden ze meer dan zat. Hun uitzicht op het bos (waarvan niemand wist hoe groot het nou eigenlijk wel was) werd belemmerd door een gigantische berg onverkoopbare kolen in de tuin. Toen Pik Zwart ze aan de straatstenen niet meer kwijt kon, had hij er van ellende zijn tuinpaadje maar mee geplaveid. De berg kolen was er niet merkbaar kleiner van geworden.

[Misschien dat je Pik maar een vreemde voornaam vindt. Dat is het ook wel, natuurlijk, als je Nederlandstalig bent. Maar hij komt wel degelijk voor. Denk maar naar de voormalige Zuid-Afrikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Pik Botha (1932-2018). Het is vergelijkbaar met de Engelse jongensnaam Dick.]

Vervolgens had hij nog geprobeerd zijn zaakje met investeringen te redden en nieuw leven in te blazen. Hij opende een ultramodern kolenshowroom, waarbij hij ook nog turf en pellets in zijn assortiment opnam om zodoende de alternatief aangelegde klant te lokken. De kolen blonken je tegemoet wanneer je binnenkwam, maar het zag er niet direct zwart van de koopgrage klanten. De enige vaste bezoeker was de deurwaarder. En die liet zich niet met kolen afschepen.

Ook Gitta Zwart, die altijd moe was, ging noodlottige financiële verplichtingen aan.

[Het is onzeker of dit haar ware voornaam was. Het is een beetje te opmerkelijk dat beide voornamen zo fraai combineren met de naam Zwart. Overigen moeten alle namen in dit verhaal met de nodige scepsis bezien worden. Zie, wat dat betreft, vooral ook de kanttekening bij de naam Klein Duimpje.]

Vanwege het altijd en overal aanwezige kolengruis deed zij weinig anders dan wassen en nog eens wassen. Ze gooide uiteindelijk de wastobbe met schrobbord aan de kant, bracht een bezoekje aan een Lease-maatschappij en kwam terug met een wasmachine, een droogtrommel en een niet op te brengen maandlast. Het was allemaal voor niets ook, ze bleef moe.

Geen geld meer voor afbetalingen, waspoeder of zelfs maar voor brood. De bakker weigerde pertinent om in kolen betaald te worden. “Mijn ovens,” zo liet hij Pik Zwart weten, “krijgen het liever koud dan dat ze weer kolen zouden slikken. Vreet je kolen zelf maar op.”

Zo kon het een zekere avond gebeuren dat Klein Duimpje, hoewel hij niets ondeugends had gedaan, toch zonder eten naar bed werd gestuurd. Of het zou moeten zijn omdat hij geweigerd had zijn bord met gestoofde kooltjes leeg te eten.

[Tja, dan moeten we het toch even over die naam hebben: Klein Duimpje.

In tegenstelling tot wat algemeen aangenomen wordt, moet het als onwaarschijnlijk worden geacht dat de naam Klein Duimpje betekent dat hij opmerkelijk klein van stuk was. Want in dat geval zou het logischer (en zodoende waarschijnlijker) geweest zijn wanneer hij eenvoudig Gijsje of Kleine Gijs was genoemd (om maar een willekeurige naam te nemen.) Maar de naam is Klein Duimpje. Dat zou erop kunnen wijzen dat hij een opmerkelijk klein duimpje had, in welk geval wij hier te doen hebben met bijzonder ongevoelige ouders om hun kind met zo'n nare naam op te zadelen. Aan de andere kant, ouders die er niet voor terug deinzen om datzelfde kind bewust achter te laten in een bos (waarvan niemand wist hoe groot het nou eigenlijk wel was) zouden waarschijnlijk van zo'n naamgeving niet direct wakker liggen.

[Oeps! Hier heb ik onbedoeld al een schokkende fase uit het verhaal verklapt. Mocht je het verhaal nog niet kennen, dan verzoek ik je dit gegeven onmiddellijk weer te vergeten!]

Waarschijnlijk moeten we de naam Klein Duimpje (hierna consequent K.D.) voornamelijk als overdrachtelijk beschouwen, als een aanduiding van de authenticiteit en waarheidsgehalte van dit verhaal, dat nogal bol staat van ongeloofwaardige gebeurtenissen. Iemand met een klein duimpje kan dat nooit allemaal uit die duim gezogen hebben, het moet dus wel waar zijn. Een nogal twijfelachtige redenatie.
Overigens, dat duimen kleiner worden van het duimen zuigen is natuurlijk een sprookje.]

K.D. was het enige kind van Pik en Gitta Zwart, dus veel monden te voeden hadden ze niet, zou je zo denken. Dan heb je toch even K.D. over het hoofd gezien. Het was een fiks uit de kluiten gewassen knul, volop in de groei, die voor weinig andere zaken dan eten belangstelling kon opbrengen. Zijn vraatzucht zou spreekwoordelijk geweest zijn als hij Holle Bolle Gijs had geheten.

[Gijs. Misschien was dat zijn werkelijke naam ook wel.]

Nee, klein was K.D. zeker niet. Hij at voor tien, tenzij hij honger had; dan begon het eetfestijn pas echt. Zelfs toen kolen nog als warme broodjes over de toonbank gingen, was zijn eetlust, financieel gezien, al een ondraaglijke last. K.D. zelf had daar geen weet van. De wereld ging aan hem voorbij, op de bakker na. Soms had hij ook nog aandacht voor Grietje, het meisje van de buren, en waar hij regelmatig mee samenspeelde. Zolang het maar niet iets met kolen was, Grietje was daar heel stellig in.

Pik en Gitta Zwart waren ten einde raad. Nadat K.D. zonder eten naar bed gestuurd was, bleven zij somber aan de wankele keukentafel zitten en aten nog enkele gestoofde kooltjes. Het bleef bij een enkele. Uiteindelijk zouden ze zelf ook zonder eten naar bed gaan.

Hun lege magen maakte hen humeurig en al spoedig hadden ze ruzie.

“Het is allemaal jouw schuld,” riep Gitta Zwart, enigszins voorspelbaar. “Jij met je kolenshowroom. Die heeft ons de das om gedaan! En nu heeft Duimpie niks te eten.”

“Mijn schuld, hè!” brulde Pik Zwart, “Wat dacht je dan van die stomme wasmachine van jou, om van de droogtrommel maar te zwijgen! Wat mankeert er nou eigenlijk aan een waslijn? Dat zou ik nou wel eens willen weten!”

“Je weet best wel hoe vaak ik in dit gruizige huishouden de was moet doen, door die kolentroep van jouw,” griende Gitta, “Daar kan geen waspoeder tegenop!”

“Kolentroep, hoor ik dat goed?” Nu werd Pik Zwart pas echt boos. Hij balde zijn kolenschoppen van handen en sloeg ermee op de keukentafel, welke prompt de geest gaf. Tja, wat heb je ook aan een eettafel als je niks te eten hebt. Pik Zwart leek er dan ook niet van onder de indruk te zijn en brulde tegen Gitta: “Die ‘kolentroep’ hè, brengt anders wel brood op de plank!”

Wellicht dat deze uitspraak vroeger hout gesneden had, maar nu keek Gitta van de pan met gestoofde kooltjes naar de lege broodtrommel en kreeg prompt een hysterische huilbui. Die duurde geruime tijd, terwijl Pik Zwart zijn best deed om te verklaren dat hij het zo niet bedoeld had. “Bracht,” herhaalde hij alsmaar, ”ik bedoelde bracht!”

K.D. merkte niets van dit alles, ook al was zijn ‘slaapkamer’ niet meer dan een met een gordijn afgeschermd hoekje van de eenkamerwoning. Als hij niet at of aan Grietje dacht, dan sliep hij. Hij dacht niet na over zijn rammelende maag en luisterde niet stiekem naar zijn ouders, want ze hadden hem verteld dat hij moest gaan slapen. Kinderen deden dat nog in die tijd. Kom daar nu maar eens om. Hij sliep dus, als een roosje.

[Slapen als een roos. Deze uitdrukking is ontleend aan Doornroosje, die pas echt van slapen wist. Maar dat is een ander verhaal.]

Toen Gitta Zwart weer ietsje gekalmeerd was, begon Pik Zwart te ijsberen, onderwijl kwaad de resten van de keukentafel opzij schoppend. Ieder ander had er wellicht brandhout van gemaakt, maar dat was deze rasechte kolenboer te min. Hout was goed voor bomen, maar daar hield het eigenlijk wel mee op.

“We moeten iets doen, we moeten toch iets kunnen bedenken,” zei Pik Zwart alsmaar.

“Maar wat dan? Maar wat dan!'” jammerde Gitta Zwart telkens.

“Ik weet het niet meer,” zei Pik uiteindelijk wanhopig. “Wat verwacht je van mij dat ik zeggen zal. ‘De droogtrommel eruit of K.D. eruit’?”

Het werd Gitta even zwart voor de ogen. “Je blijft met je tengels van mijn droogtrommel af!

Toen keken ze elkaar langzaam aan en bleef het heel lang stil. Buiten rolden spontaan enkele kolen van de kolenberg, het geruis drong zwakjes door tot in de stille keuken. Toen zuchtten Pik en Gitta Zwart, tegelijkertijd. Er werd niets meer gezegd, het was niet nodig.

Aldus kwamen zijn ouders tot het besluit om de volgende dag, hoe eerder hoe beter, K.D. mee op pad te nemen met de bedoeling hem achter te laten in het bos (waarvan niemand wist hoe groot het nou eigenlijk wel was). Je zet per slot van rekening je kind niet gewoon het huis uit. Dat zien de buren namelijk.

Kan jij je voorstellen dat er zulke ontaarde ouders zijn? Er zijn mensen die hun hond vastgebonden in het bos achterlaten om lekker zonder hond op vakantie te kunnen. Al erg genoeg. Maar je bloedeigen en enigst kind? En dat dan liever dan je droogtrommel? Echt, een hoogst ongeloofwaardig verhaal, niet dan? Zal wel een sprookje zijn.

Maar toch, maar toch. Heb jij in het bos ooit wel eens een achtergelaten droogtrommel gezien?

Toch iets om over na te denken…